De enige juiste manier om een talent te scouten is door hem eerst goed op te leiden

11 mei 2017

Het scoutingsysteem in het Nederlandse voetbal is hopeloos ouderwets en strookt totaal niet met wat wetenschappelijk al is vastgesteld. De afgelopen 40 jaar hebben tientallen landen met wisselend succes verschillende sporttalent-identificatie-modellen ontwikkeld. Daaruit is vooral gebleken dat jong talent correct identificeren voor een open-skill sport als voetbal (of hockey) zo goed als onmogelijk is. 

Heel veel talenten hebben namelijk op het moment dat ze de scoutingsleeftijd bereiken bepaalde kenmerken namelijk nog niet ontwikkeld, waardoor ze minder goed lijken, niet opvallen en niet worden geselecteerd. Het geboortemaandeffect en het maturiteitsprobleem zijn daarvan 2 goede voorbeelden. Hoe ouder het kind wordt des te duidelijker zichtbaar het talent wordt. Pas na het 16e levensjaar (einde pubertijd en groeispurt) is bij jongens een goede inschatting te maken. Daarom is het zo onverstandig om kinderen al op vroege leeftijd te scouten. (lees het artikel: Profclubs leiden de verkeerde voetballertjes op: stop met scouten en Jonge voetballertjes scouten is onverstandig en onzinnig; talentherkenning en -ontwikkeling moet op de schop).

Types of skil


Open skill vs closed skill sporten

Voor een gesloten skill-sport als bijvoorbeeld roeien en wielrennen zijn een aantal talent-modellen, voornamelijk gebaseerd op fysieke en antropometrische kenmerken, wel succesvol gebleken. Het Engelse succes op de Olympische Spelen van 2016 in Rio is daarvan een goed voorbeeld. De Britten behaalden met roeien 15 en wielrennen 26 medailles. Ook daar werden echter de grootste successen geboekt met sporters die pas na hun 16e/17e werden geselecteerd.

Hoe scout je een voetbaltalent?

Een voetbaltalent bij de jeugd is makkelijk te spotten, omdat zijn fysieke, motorische, taktische of technische vaardigheden opvallen. Hij loopt sneller, beweegt makkelijker, wint meer duels, kan harder schieten, kan beter pingelen en dribbelen, is groter, heeft meer loopvermogen, maakt betere beslissingen en/of handelt sneller. Deze vaardigheden bepalen zijn huidige prestatie op het veld en zijn allemaal met het oog waar te nemen.

Echter, deze determinanten van talent alsook het huidige prestatieniveau geven geen enkele wetenschap over hoe goed de voetballer later gaat worden. Je kunt geen meetlat langs de vaardigheden van een talent leggen, een lijn trekken en dan automatisch op een hoger punt uitkomen. Uit alle sportonderzoeken blijkt namelijk dat talent – in dit geval voor voetbal – gelijk kan blijven, kan toenemen, maar ook dat het minder kan worden of zelfs helemaal kan verdwijnen! Binnen 5 jaar vanaf het scoutingmoment is 70- tot 80% van de jonge talenten dan ook uit de opleiding van een BVO verdwenen.

Wat bepaalt dan wel hoe goed een talent later gaat worden? 

Hoe kun je dan wel zien, hoe goed een talent later gaat worden? Het antwoord is simpel: Niet. De potentie op zich van een voetbaltalent is niet met het oog waarneembaar. Niemand kan namelijk in de toekomst kijken. Volgens de encyclopedie betekent potentie dan ook: ‘als mogelijkheid aanwezig, maar nog niet bestaand’. Je kunt je dan ook afvragen wat scouts langs de velden doen bij jonge kinderen. Meetlatten langs vaardigheden leggen?


Is er dan misschien iets wat de potentie wel bepaalt of daar invloed op heeft? Het antwoord daarop is ook simpel. Ja, de potentie van een jonge, talentvolle voetballer wordt bepaald door zijn omgeving en hoe hij daarmee omgaat én door zijn mentale kenmerken (en dan heb je uiteindelijk ook nog een dosis geluk nodig om het tot prof te schoppen, maar dat laten we even buiten beschouwing). Met omgeving wordt bedoeld: ouders, opvoeding, vrienden, trainers, leraren, ontmoetingen, clubs, tegenstanders en ploeggenoten. Met mentaal wordt bedoeld:doorzettingsvermogen, motivatie, leervermogen, leersnelheid, zelfbeeld, om kunnen gaan met voorspoed, tegenslag en kritiek, zelfregulatie, ambitie en besluitvorming.

De potentie van een voetbaltalent is dus niet tastbaar, zichtbaar of een vaststaand iets. Potentie is zeg maar de uitkomst van een hele lange optelsom waarvan je niet alle getallen kan zien. Die getallen worden namelijk pas zichtbaar naarmate het talent steeds ouder wordt. En kunnen dan ook weer gaan schommelen.

Met dit in het achterhoofd is het zeer onverstandig om een x aantal talenten op vroege leeftijd te scouten en daar alle tijd, energie en middelen in te investeren en een veel grotere groep talenten buiten te sluiten. De kans dat je het goede talent hebt gescout is namelijk minder dan 0,5% (zie dit artikel). BVO’s moeten dan ook per direct stoppen met selecteren van jeugdig talent omdat het automatisch ook deselectie in houdt van andere, vaak grotere talenten.

Geef alle talenten een kans en leidt ze allemaal goed op

In plaats daar van is het veel logischer en verstandiger als alle talenten een kans zouden krijgen en dus allemaal goed worden opgeleid en wel bij hun eigen amateurclub. En dat clubs gedurende de opleiding er alles aan doen om zijn omgeving (waar een club zelf deel van uitmaakt) en mentale eigenschappen positief te beïnvloeden. Dat kan door bijvoorbeeld goede trainers aan te stellen, een bewezen trainingsmethodiek toe te passen, voorlichting te geven, goede begeleiding te geven, een groeimindset te ontwikkelen én ook door aandacht te besteden aan de basismotoriek (dus ook andere sporten en spelletjes doen).

Dat laatste is belangrijk omdat de Nederlandse jeugd veel minder buiten speelt dan vroeger en daardoor steeds ‘houteriger‘ wordt. Nederlandse kinderen spenderen gemiddeld 6,5 uur per dag aan pc, laptop, smartphone en ps4. Dat gaat ten koste van de basismotoriek (lopen, vallen, klimmen, springen, huppelen, draaien etc). Wie voor zijn 12e jaar de basismotorische bewegingen niet onder de knie heeft, is niet meer in staat voetbalspecifieke bewegingen voor topniveau aan te leren en is ook voor veel andere sporten al ongeschikt voor de top.


Uit een onderzoek onder Canadese top-ijshockeyspelers bleek dat ze op 20-jarige leeftijd slechts 3000 uur aan ijshockey hadden gespendeerd en 7.000 uur aan andere sporten.

Veel bekende topsporters hebben vaak met elkaar gemeen dat ze in hun jeugd meerdere sporten hebben beoefend (of veel buiten hebben gespeeld), daardoor is hun motoriek geperfectioneerd. Jonge kinderen scouten die de basismotoriek nog niet optimaal beheersen en dan uitsluitend op voetbalspecifieke bewegingen gaan oefenen is dan ook de omgekeerde wereld en hartstikke fout.

BVO’s gaan eerst scouten en dan pas opleiden. Het zou andersom moeten zijn

Clubs moeten gedurende de eerste 6 opleidingsjaren alle vaardigheden, mentale kenmerken en omgevingsvariabalen van alle talenten beïnvloeden, monitoren en in kaart brengen waardoor er een zeer uitvoerig, diep en breed scoutingrapport ontstaat (database, spelervolgsysteem). Daarna is pas het verstandig als profclubs een eerste voorzichtige selectie gaan maken waarin het mentale plaatje van de speler zeer belangrijk is. Om vanaf 16 jaar de keuze meer definitief te maken en dan 4 jaar zeer intensief aan de slag te gaan met deze talenten.

Maar dat gebeurt helaas niet. Talentselectie en -ontwikkeling worden namelijk in het Nederlandse voetbal los van elkaar gezien. Bijna alle BVO’s gaan eerst scouten (vaak al rond de 8,9,10 jaar) en dan pas opleiden. Dan is het niet vreemd dat scouts de verkeerde spelers uitkiezen. Het is een maf systeem. Dat door de KNVB ook in de nieuwe opzet in stand wordt gehouden.

In Nederland worden veel te weinig talenten goed opgeleid

Nederland telde van 2005 tot 2015 slechts 13 Regionale Jeugd Opleidingen waar van elke lichting (elk geboortejaar) slechts een paar honderd voetbaltalenten werden opgeleid door professionele trainers. Deze 13 RJO’s vervingen de 38 jeugdopleidingen van de Betaald  Voetbal Organisaties (BVO’s) omdat daar volgens de beleidsmakers te weinig talent uit voortkwam. Deze nieuwe opzet maakte deel uit van het Masterplan Jeugdvoetbal uit 2001 waarvan Louis van Gaal aan de wieg stond. Aangezien dit ‘Masterplan‘ nog minder (top)talent voortbracht, is sinds 2014-2015 een nieuw Kwaliteit & Performance Programma voor jeugdopleidingen (K&PP) van start gegaan. Het is nog te vroeg om het succes (of de nog grotere ellende) daarvan te kunnen meten.

Wel is het zo dat er tot nu toe slechts 86 clubs aan de nieuwe kwaliteitseisen voldoen (BVO’s en amateurclubs) van de in totaal 2700 voetbalclubs in Nederland. Dat is 3% van het totaal aantal clubs. Clubs die aan alle regeltjes voldoen om spelers goed op te leiden. Of dat goed opleiden daadwerkelijk gebeurt weet niemand, want er is geen enkele controle van bovenaf op de praktijk! Denk bijvoorbeeld aan het toepassen van een bewezen methodologie.  Wat is bijvoorbeeld de beste manier om een kind te leren voetballen op de lange termijn.

Is Nederland met deze zoveelste andere aanpak nu eindelijk op de goede weg? Ter vergelijking: in Duitsland werden na 2001 366 regionale jeugdopleidingen door de DFB opgezet waar 25.000 kinderen tussen 11 en 15 jaar 1 of 2x in de week extra training krijgen van trainers die minimaal het UEFA B-diploma hebben. Daarnaast hebben alle 36 profclubs uit de 1ste en 2e Bundesliga verplicht een eigen jeugdacademie moeten opzetten, waar ook weer een enkele duizenden kinderen goed worden opgeleid. Waarom? Om zoveel mogelijk talent goed op te leiden. Sinds een jaar of 10 spuwt deze Duitse talentenfabriek het ene na het andere toptalent uit, terwijl Nederland al 10 jaar geen enkele topper meer heeft voortgebracht.

In IJsland hebben ze er ook voor gekozen om eerst alle talenten goed op te leiden en pas op latere leeftijd te gaan scouten. Dat heeft de kwaliteit van het IJslandse voetbal een enorme boost gegeven. (lees er hier meer over)

In de nieuwe opzet van de KNVB en de BVO’s zullen in totaal slechts enkele duizenden jeugdige Nederlandse talenten goed worden opgeleid. Terwijl de andere 550.000 jeugdspelers, waarvan er 50.000 talentvol en 5.000 zeer talentvol zijn, worden overgeleverd aan de nukken van het amateurvoetbal en hun talent zeer waarschijnlijk nooit volledig zullen en kunnen ontwikkelen. De KNVB moet hierin gaan ingrijpen. Het initiatief tot een goede jeugdopleiding moet niet – zoals nu het geval is – aan de amateurclubs worden overgelaten, dat initiatief moet bij de KNVB en de BVO’s liggen. Nu is het bij 97% van de clubs de jeugdopleiding één groot vraagteken.  Dat is onaanvaardbaar, amateuristisch en niet kindvriendelijk. De uitstroomrapporten van de KNVB reppen vaak over een ding: kinderen stoppen vooral vanwege slechte trainers, de slechte sfeer en omdat ze te weinig leren.


Meest gehoorde reden waarom kinderen stoppen met voetbal: de trainer.

Elk kind dat gaat zwemmen of gaat tennissen krijgt een goede en gediplomeerde leraar, maar wie gaat voetballen loopt een hele grote kans een ongeschikte vader/trainer voor zijn kiezen te krijgen.

Het heel scouting- en opleidingssysteem in Nederland is teveel afhankelijk van toeval. Talentvolle kinderen die toevallig eerder zijn in hun lichamelijke of geestelijke ontwikkeling, toevallig eerder in het jaar zijn geboren, toevallig een goede amateurtrainer hebben gehad, toevallig bij een club spelen met een goede jeugdopleiding, toevallig heel veel buiten hebben gespeeld – wat leidt tot een betere motoriek – maken de meeste kans te worden gescout en goed te worden opgeleid. De hele grote restgroep, die misschien net zo talentvol is of misschien zelfs meer potentie heeft, maar dat toevallig pas later ontwikkelt, heeft pech gehad, wordt buitengesloten, wordt minder goed opgeleid en gaat vaak verloren voor het Nederlandse voetbal.

Nederland blijft ook anno 2017 onzorgvuldig en op de verkeerde manier met haar talenten omgaan. Het dringt maar niet door tot de Nederlandse voetbaltop dat het systeem op de schop moet. Dat daar een enorme fout in zit en dat daardoor heel veel talent over het hoofd wordt gezien of domweg niet optimaal wordt ontwikkeld.

Makkelijk praten: maar hoe kunnen alle talenten goed worden opgeleid?

De KNVB zou naar het Duitse model regio-opleidingen kunnen gaan opstarten waar talentvolle jongens na hun 11e jaar 4 jaar lang 1 of 2x extra in de week training krijgen van oefenmeesters met minstens het UEFA-B diploma. Verder zou het een logische stap zijn om het scouten voor het 12e jaar te verbieden, omdat dat vaak gebaseerd is op gebakken lucht. Dat zou betekenen dat alle BVO’s moeten stoppen met hun jeugdteams onder 12 jaar.

BVO’s zouden van het geld dat daardoor vrijkomt zich veel meer moeten gaan inzetten om amateurclubs in de regio te ondersteunen. Als elke BVO de amateurclubs in de eigen regio serieus onder de hoede zou nemen, zou dat de opleiding in de regio en in het hele land al een enorme boost geven.

AZ en Groningen geven hierin bijvoorbeeld al het goede voorbeeld. Beide clubs scouten niet meer onder de 10 jaar, maar willen dat alle talenten eerst goed worden opgeleid bij hun eigen amateurclub, in een vertrouwde omgeving, op hun favoriete positie en bij hun eigen vriendjes.

De Alkmaarders zijn daarom een samenwerkingsverband aangegaan met meer dan 100 amateurverenigingen (AV) in de regio en heeft van 5 clubs een steunpunt gemaakt. Groningen heeft een amatereurconvenant opgesteld. Doel van beide clubs is trainingsprogramma’s, oefenstof, methodieken, informatie over het beleid, informatie over de organisatie en informatie over het vak te delen met av’s om zo meer en beter talent voort te brengen waar zij uiteindelijk op latere leeftijd een keuze uit kunnen maken.

Verder ligt er natuurlijk ook een rol voor de amateurclubs zelf. Het motto zou moeten zijn: Elk kind verdient een gediplomeerde trainer die goed met kinderen kan omgaan, zorgt dat er vooral veel plezier is, die de juiste oefeningen kan uitzetten en die niet bezig is met winnen, maar met opleiden.  Als daar geen geld voor is, moet er geld voor komen. Dat betekent maar 1 ding: de contributie moet omhoog.

De contributie bij voetbal ligt in vergelijking met hockey  een stuk lager100-150 euro per jaar. De gemiddelde amateurclub in Nederland bestaat uit 500 leden. Als de leden een paar tientjes euro extra gaan betalen, kunnen van dat geld minstens 10 gediplomeerde trainers worden aangesteld. Dat zou betekenen dat in ieder geval alle selectiejeugdteams jonger dan 12 jaar een goede trainer krijgen en deze jongens ervan verzekerd zijn dat ze de eerste 6 jaar een goede opleiding krijgen.

Verder moet de KNVB (en alle andere sportbonden) bij het Ministerie van Onderwijs en VWS aan de bel trekken. De houterige Nederlandse jeugd is een bom onder topsport. Om het stilzitten thuis te ondervangen, is 3x gymles in de week van enorm belang. Een gymles die gegeven wordt door een vakdocent en niet zoals nu vaak het geval is door de juf.

Nederland heeft een perfecte infrastructuur op het gebied van voetbal. Bijna elk kind woont op een paar minuten rijden van een voetbalclub. De hele competitie werkt zo dat de besten vanzelf komen boven drijven. Als zowel KNVB, BVO’s en amateurclubs de handen ineen zouden slaan en ervoor gaan zorgen dat alle kinderen een goede trainer krijgen en alle talenten een kans, dan gaat het Nederlandse voetbal ongetwijfeld een gouden tijd tegemoet.

Home